joannes huib (van Gageldonk)

Joannes Huib (van Gageldonk)
 
zoon van Huijbrecht Cornelis Jans (van Gageldonk) en Antonia Cornelis (Theuntien) Cools, gedoopt te Etten op 10 apr 1644, in het doopboek staat de naam Hoodts toegevoegd, komt verder niet meer voor. Joannes is samen met zijn broer Quirinus een tweeling.
Getrouwd in Oud en Nieuw Gastel op 15 apr 1675, 31 jaar oud met Cornelia Geritsen/
Geeraers van Borghen.
Het paar woont in Standdaarbuiten. En daar worden de kinderen geboren en gedoopt.
Het huwelijk duurde niet lang. In 1679 is Cornelia al hertrouwd. Joannes is waarschijnlijk in 1678 overleden.
Hij liet zijn vrouw achter met twee kleine kinderen:
1. Hubertus Jan, gedoopt Standdaarbuiten 7 mrt 1676.
2. Gerardus Jan, gedoopt Standdaarbuiten 11 nov 1677, overleden ?, getrouwd te
    Standdaarbuiten op 14 nov 1705, 28 jaar oud, met Elisabeth Cornelissen Dircken.
    Zie verder gerardus johan van gageldonk.
 
Bij het trouwen komt de achternaam/familienaam van Gageldonk erbij.
 
Bij zijn tweelingbroer staat het volgende: Quirinus Huijbrechts bij de doop van zijn eerste kind in 1670. In 1702 hertrouwde Krijn en nu staat van Gageldonk erachter.
Misschien waren ze bij het trouwen zover dat er een achternaam/familienaam bij moest.
 
Maar ja ik heb ook een Catharina Huijbrechts, de zus van deze tweelingbroers en zij trouwde zonder vermelding van Gageldonk. Ze trouwde in 1674 met Joannes Bapt Goedesoon, in Zevenbergen. Was het voor vrouwen van minder belang.
 
 
Zijn tweelingbroer en zus Catharina woonde in Zevenbergen. Zelf woonde Joannes Huib in Standdaarbuiten met nog een andere broer, Laurentius.
 
 
 
Bij dit trieste relaas een vrolijk plaatje over het eten in de 17e eeuw
 
 
 
 
 
 

 

 
Wat "men" at, is moeilijk te zeggen. Het hing ervan af hoe rijk men was. Armen voedden zich veel met knolrapen, uien, slecht brood en dun bier. Wie rijk was at tarwebrood, wie minder rijk was roggebrood. Een algemeen geliefd gerecht was hutspot. Het was wel wat anders dan wat wij nu hutspot noemen, al was het alleen maar omdat er geen aardappels in zaten; die at men toen namelijk nog niet. Tijdens het eten zaten alleen vader en moeder aan tafel. De kinderen stonden eromheen, ieder op zijn eigen plaats. Vader en de jongens hielden onder het eten hun hoed op.

In de 17e eeuw at men gewoonlijk met de vingers. Lepels waren er wel, maar ze dienden alleen voor soep en pap. Vorken waren er helemaal niet, die kwamen pas omstreeks 1700 in gebruik, maar ook daarna bleven ze een luxe. Met de lepel waarmee je at, schepte je ook steeds op uit de schalen. Wie erg netjes was, veegde zijn lepel eerst af aan het tafellaken (als dat er was).
Daaraan mocht je ook je vuile handen afvegen. Moeder of grote zus gingen elke dag naar de markt. Daar kochten ze groenten, fruit en vis. Brood haalden ze bij de bakker. 's Morgens als het brood uit de oven kwam, blies de bakker op zijn hoorn. Van alle kanten kwamen dan de mensen aanlopen om vers brood te halen. De melkboer deed 's morgens zijn ronde. Het ontbijt bestond uit (rogge)brood met boter, kaas en eieren. Vaak was er ook vis. Daarbij werd melk of bier gedronken. Rond 12 uur werd het middagmaal (noenmaal) gegeten. Dikwijls was dat hutspot: schapenvlees, uien en bonen of erwten, of een pot "warm moes": kool, gekookt met spek en melk. De pastinaak (een soort witte peen) nam in veel gerechten vaak de plaats in van de aardappel.
Volgens een recept uit de 17e eeuw maakte men hutspot van schapenvlees of fijn gehakt rundvlees, groene groente, pastinaak of pruimen. Het werd begoten met citroensap of sinaasappelsap, in sterke azijn geweekt, goed vermengd en lang gekookt met vet en gember.
De meeste moeders kookten en bakten maar eenmaal in de week. Dan bleven er zes kliekjesdagen over. Om een uur of drie at men een tussenmaaltijd en in de avond het avondmaal. Vaak at men dan een kliekje van de middagpot of een bord koolsoep, broodpap (melk met verkruimeld oud brood), gebraden rapen of uien met stuk brood. Rijke mensen aten vlees van de os of het varken, wildbraad of gevogelte, waaronder ook zwanen en reigers, opgediend met bijvoorbeeld pruimen- of krentensaus. Daarbij dronken ze een glas bier of wijn. Als toetje at men vaak rijsterbrij, pannenkoeken, bollen of wafels. Men was ook dol op taarten. Fruit vonden veel mensen ongezond.
Het gezin at meestal in de strove, een klein vertrek naast de keuken. Daar stond het tresoir of de schapraai. Dat was een kastje, waarin de lepels, messen, borden en schalen bewaard werden, samen met de kliekjes van het middagmaal. Vaak werd er gekookt in een open schouw, maar men bouwde soms ook al een gesloten stookplaats van bakstenen en tegels. Deze "kachel" hield de warmte beter en langer vast dan een schouw. Het kostte daardoor minder hout en turf om het eten gaar te krijgen.
De boeren verbouwden in de 17e eeuw meer groenten dan in de middeleeuwen. verschillende tuinbouwgebieden die nu bekend zin, zoals West-Friesland en het Westland, ontstonden in die tijd. Daar teelde men de "nieuwe" groenten, zoals snijbonen, spruitjes en andijvie. Ook lagen er boomgaarden met appel- en perenbomen. De kostbare tarwe van de bouwboeren ging vaak naar Holland, waar de bakkers er witbrood voor het rijke stadsvolk van bakten. Het roggebrood was voor de kleine handwerksman en voor de boer zelf.
Een ander product was boekweit. Dit groeide op de schraalste grond. je kon er alleen koeken van bakken en pap van koken.
 
Vanaf omstreeks 1570 raakte de uit Zuid-Amerika afkomstige aardappel in Europa bekend. De aardappel is na de ontdekking van Amerika, door Columbus, vanuit Zuid-Amerika (Peru) (in 2005 bewezen op basis van DNA) naar Europa gebracht door Spaanse ontdekkingsreizigers. De Inca's verbouwden de plant echter al honderden jaren. De aardappelplant groeide ook op grote hoogten in het Andesgebergte. Daar waar andere planten niet meer konden groeien. Het waren de monniken die ervoor zorgden dat de aardappel vanuit Spanje zijn weg vond naar de andere Europese landen. Zij pootten de plant in hun kloostertuinen.
 
 
De boeren wilden aanvankelijk niets van de plant weten. Omdat de stengels en bessen giftig zijn, dachten ze dat de knollen ook ongezond zouden zijn. Langzamerhand kreeg de aardappel toch steeds meer de rol van volksvoedsel en in de 17e eeuw werd de aardappel in alle Europese landen verbouwd. Door het hoge gehalte van vitamine C, werd de knol ook gebruikt bij het bestrijden van scheurbuik.

Vanuit Spanje kwam deze knol naar ItaliŽ, waar hij eerst verscheen op de tafel van de Heilige Vader en een doodzieke kardinaal. De knollen golden immers als voedsel dat de levenslust, en trouwens ook andere lusten, opwekte. De beide prelaten genoten van deze knollen als waren het een soort truffels. Ze bekwamen het hun wel. Toch meenden de hogere standen blijkbaar dat echte truffels beter smaakten.
De eerste aardappels in Nederland schijnen zo omstreeks 1700 in Zeeland en de Betuwe te zijn verbouwd. Al heel snel verschijnen ze op de schamelste tafels. Maar de burgemeestersvrouw van Haarlem schopt nog in 1750 haar keukenmeid de straat op, omdat ze "dat varkensvoer" op haar tafel had durven zetten. Pas na 1780 krijgen de vaderlandse dienstboden vrijwel dagelijks aardappelen, terwijl de burgers ze slechts wensen te genieten op de vrijdagse vastendag "bij den visch". Van de Oranjes is bekend dat ze pas aardappelen aten, toen de vermaarde kruid- en tuinkundige Herman Knoop ze op 13 december 1742 op het menu durfde te zetten.