Dingeman van Dongen

 
 
Dingeman van Dongen
zoon van Cornelis van Dongen en Maria Allegonda de Cok, geb Oosterhout 24 aug 1828, bouwman, ovl op 65 jarige leeftijd 12 sept 1893, tr Oosterhout 12 mei 1859 Adriana Timmermans, dr Hermanus Timmermans en Anna Verhoeven, geb Oosterhout 22 apr 1826, ovl op 50 jarige leeftijd Oosterhout 26 aug 1876. Dingeman hoefde niet in dienst, vrijgesteld, hij was enig kind.
 
Uit dit huwelijk:
 
1. Cornelis, geb Oosterhout 27 mrt 1861, landbouwer.
 
2. Johannes Hermanus, geb Oosterhout 30 sept 1863, zie johannes Hermanus van Dongen.
 
3. Maria Allegonda, geb Oosterhout 26 aug 1865.
 
4. Franciscus, geb Oosterhout 20 sept 1868, landbouwer, ovl Breda 1 aug 1940, tr Oosterhout 5 mei 1898 Johanna Daniels.
 
 
Uit het bevolkingsregister bleek dat Dingeman met vrouw en kinderen bij zijn ouders inwoonden. Het bevolkingsregister vermeldt als beroep van zowel Dingeman als zijn vader akkerbouwer.
 
 
 
 
 
 
 
 
Turkse obligatie voor de spoorwegmaatschappij
 
 
In de memorie van aangifte der nalatenschap van Dingeman staat naast onroerend goed en schulden, het bezit van een vierde deel in een obligatie ten laste van Turkije van 20 sterling.
Dat wordt omgezet in guldens en dan groeit zijn bezit met 13,50.
 
Een stukje geschiedenis van Turkije
De inkomsten van de staatskas waren sinds de Osmaanse expansie in de zeventiende eeuw tot stilstand was gekomen een permanent probleem geweest. De modernisering van het Osmaanse Rijk bracht echter grote kosten met zich mee, die bovenop de traditionele last van het onderhoud van de strijdkrachten, het hof en zijn personeel kwamen. In 1854 werd dit voor het eerst opgelost door Europees geld te lenen, maar de afhankelijkheid van buitenlandse fondsen bracht financiŽle invloed van buitenaf met zich mee. Osmaanse publieke fondsen werden bijvoorbeeld mede door Europese schuldeisers beheerd om de aflossing van de staatsschuld te garanderen.

Europese investeerders waren eveneens van de partij bij de economisch en militair belangrijk bouw van de Osmaanse spoorwegen. Het leggen van spoorverbindingen begon in de jaren 1860 en was een lucratieve investering voor buitenlands kapitaal. Vervoer per kameel, paard, ezel of schip bleef van groot belang voor de Osmaanse markt, al was het alleen al om goederen naar de stations te transporteren. Toch werd het met de introductie van de trein voor het eerst rendabel om bulkgoederen over grotere afstanden te transporteren en te verhandelen.